Naar het fotoboek

Coöperatief leren op de Kingschool

Het kenmerkende van coöperatief leren is:

  • directe interactie tussen de leerlingen in een groepje: in de uitwisseling van gedachten, ideeën en opvattingen zit de leerwinst;
  • het creëren van wederzijdse afhankelijkheid: de opdracht wordt door de leraar zo geformuleerd dat de groep alleen succes kan hebben als alle leden van de groep zich inzetten en een bijdrage leveren;
  • individuele verantwoordelijkheid: elke leerling is zelf verantwoordelijk voor zijn eigen leren en gedrag, niet alleen het groepsresultaat telt, elke leerling wordt ook persoonlijk beoordeeld op prestaties.

Het gaat om het (bewust) samenwerken van goede en minder goede leerlingen in tweetallen of kleine groepjes. De kinderen ondersteunen en helpen elkaar en zoeken samen naar oplossingen voor problemen. Zwakke leerlingen profiteren van de aanmoediging, uitleg en hulp van medeleerlingen. Ook goede leerlingen profiteren van het samenwerken in een heterogene groep: door anderen te helpen, bereiken ze beheersing van de stof op een hoger niveau. Bovendien neemt de effectieve leertijd toe wanneer de leraar gebruik maakt van het vermogen van leerlingen om elkaar te helpen. Het gaat bij coöperatief leren om zowel het leren van inhouden als het leren samenwerken; er is dus sprake van een cognitief en een sociaal doel.
Het sociale aspect is zeer belangrijk. Zonder acceptatie van elkaar is samenwerking niet mogelijk.

 

Teams

De kinderen werken samen in groepjes. Deze bestaan gemiddeld uit vier kinderen. Zij krijgen samen de verantwoordelijkheid voor de opdrachten en voor elkaar. De samenstelling van deze groepen is heterogeen. Kinderen van verschillend niveau zitten bij elkaar. Jongens en meisjes door elkaar. Het werken in een team geeft ook een vertrouwd gevoel, waardoor de kinderen meer durven. In een groep ontstaat onderlinge begeleiding, sturing, tutoring, etc.
De groepen worden in een schooljaar meerdere malen gewisseld van samenstelling. 
Binnen een team heeft iedere leerling een rol. Elke week wisselt de leerling van rol. Hieronder de uitleg van de rollen. 

Groepskapitein

Je zorgt dat je weet hoe jullie tafelgroepje moet staan.
Je geeft je groepsgenoten aanwijzingen voor het plaatsen van de tafels.
Je zorgt ervoor dat dit snel en zachtjes gebeurt.
Je geeft ’s ochtends iedereen de dobbelsteen uit de teambox en zorgt ervoor dat deze aan het eind van dedag weer terug in de teambox komen
Je kijkt of iedereen de dobbelsteen op de goede kleur heeft staan.

Materiaalchef

Je haalt de materialen voor je groep snel op, zodat jullie aan het werk kunnen.
Als het werk per groepje ingeleverd moet worden, verzamel jij de schriften en levert deze in bij de meester of juf.
Jij zorgt dat jullie teambox netjes blijft en controleert of alle materialen er in zitten. 

Snappetcoach

Je zorgt ervoor dat de tablets 's ochtends op de tafels liggen.Is er een tablet-probleem? Jij bent het eerste aanspreekpunt om kinderen uit jouw team te helpen.
Aan het einde van de dag zorg jij ervoor dat de tablets weer aan de lader zitten. 

Hieronder enkele voorbeelden van cooperatieve werkvormen.

Tweepraat

De kinderen staan op en lopen vrij door de klas, totdat er een sein wordt gegeven. Bijvoorbeeld het stoppen van muziek.

Vervolgens zoeken de kinderen iemand op die het dichtst bij hen in de buurt staat. Ze gaan rug tegen rug staan en luisteren naar de opdracht. Vervolgens draaien zij zich om en voeren de opdracht uit. De leraar kan een tijd vaststellen of een seintje geven. Tevens geeft de leraar aan wie er begint. (degene met de grootste schoenmaat, de kleinste hand, de donkerste trui, etc.)

Wanneer de opdracht afgerond is, kan de leraar de kinderen individueel benaderen (“wie stond bij iemand die…?”). De kinderen gaan tot slot weer terug naar hun plaats.

Rondpraat

De kinderen zitten in hun groepje en krijgen de opdracht om om de beurt iets te vertellen. Dit zouden ze kunnen voorbereiden door eerst in tweetallen te overleggen. Bijvoorbeeld met hun schouderpartner (degene die naast hen zit) of met hun gezichtspartner (degene die tegenover hen zit). De afronding van dit gesprek zou klassikaal kunnen. Bijvoorbeeld d.m.v. 'popcorn'. Willekeurig in de klas staat, om de beurt, een kind op die een antwoord wil geven.

Tafelrondje

In deze structuur werken de vier kinderen in een team samen. Zij zitten op hun plaats en geven een notitieblaadje rond. Elk kind moet er om de beurt iets op schrijven over een bepaalde opdracht.

Genummerde koppen-bij-elkaar

In elk groepje heeft elk kind een nummer (1 t/m 4). De leerkracht stelt een vraag en de kinderen krijgen een paar seconden individuele bedenktijd. Vervolgens steken ze de hoofden bij elkaar en overleggen over het goede antwoord. De leerkracht noemt na een tijdje een nummer en deze kinderen staan op. Om de beurt moeten zij het antwoord geven dat hun team heeft bedacht. Wanneer het allemaal goed is, volgt er een applaus.

Binnen-, buitenkring

Er worden in deze structuur twee kringen gemaakt. Een kring is de buitenkring en de andere kring zit of staat daarbinnen. De kinderen in de beide kringen kijken elkaar aan, waardoor er weer koppels zijn gevormd. De kinderen stellen elkaar een vraag, of delen bepaalde informatie. Vervolgens geeft de leraar aan hoeveel plaatsen de binnenkring moet opschuiven en herhaalt de opdracht zich.

Laat zien

Elk kind heeft een blad voor zich en een pen. De leraar stelt een vraag en elk kind schrijft het antwoord op het blad. Na een tijdje zegt de leraar: “Laat zien”. De kinderen tonen elkaar hun antwoorden en kijken of ze het alle vier goed hebben. Zo ja, vieren ze dat. Zo niet, dan wordt uitgelegd wat het goede antwoord is en eventueel waarom. Vervolgens vieren ze dat het nu goed is.

Commentaar op tournee

Dit is een manier waarbij de klas de werkstukken van elkaar kan beoordelen. Alle werkstukken worden overzichtelijk in de ruimte geplaatst. Daarbij wordt een papier gelegd waar alle kinderen wat op kunnen schrijven. De groep die het werkstuk gemaakt heeft, mag als eerste beginnen met opschrijven wat ze mooi vinden aan hun werkstuk. Vervolgens gaat elk groepje er langs en noteren de kinderen hun positieve commentaar. De leraar geeft het sein om te wisselen.